
Module 3: werken met beelden
Een beeld zegt niets.
Tot iemand ernaar kijkt.
Blijf bij wat iemand benoemt.
Ga niet meteen verder.
Vraag door op dat ene element.
Wat maakt dat dit opvalt?
Wat gebeurt er als je hier langer naar kijkt?
Daar ontstaat verdieping.
Blijf bij wat iemand benoemt.
Ga niet meteen verder.
Vraag door op dat ene element.
Wat maakt dat dit opvalt?
Wat gebeurt er als je hier langer naar kijkt?
Daar ontstaat verdieping.
Het beeld is niet belangrijk.
Wat zichtbaar wordt wel.

In deze methodiek is een beeld geen uitleg.
Het is een ingang.
Niet om te tonen wat er is,
maar om zichtbaar te maken
wat geraakt wordt.
Oefening
Kijk 30 seconden naar dit beeld.
Wat valt je op?
Waar blijft je aandacht hangen?

Een beeld gaat voorbij het denken.
Het wordt niet eerst geanalyseerd,
maar direct ervaren.
Nog voor iemand woorden vindt,
gebeurt er al iets.
Iets trekt de aandacht.
Iets blijft hangen.
Iets licht op.
Het beeld zelf is niet de boodschap.
Wat iemand erin ziet,
is de ingang.
Waarom twee mensen kijken
naar hetzelfde beeld
en iets anders zien,
daar wordt het net interessant.
Niet omdat het beeld verandert,
maar omdat hun aandacht anders ligt,
hun ervaringen anders liggen,
hun dromen anders zijn.
Een foto maken is geen bewijs van wat je ziet.
Het is een manier om dat eerste moment vast te houden.
Niet om het te begrijpen,
maar om ernaar terug te keren.
Een beeld is geen eindpunt.
Het is een ingang.
De ingang ligt in wat opvalt
Laat een cliënt kijken.
Zonder opdracht.
Zonder richting.
En stel daarna eenvoudige vragen:
-
Wat valt je op?
-
Waar blijft je aandacht hangen?
-
Wat zie je eerst?
Niet om een antwoord te krijgen,
maar om te volgen wat zichtbaar wordt.
Niet sturen, niet invullen
Je interpreteert het beeld niet.
Je legt niets uit.
Je zoekt geen betekenis voor de ander.
Wat zichtbaar wordt,
is van de cliënt.